Gepubliceerd op 5 februari 2009

Ondernemerszin fiscaal prikkelen

De overheid moet ondernemerszin bij hoogopgeleiden stimuleren, want zij zijn de beste ondernemers. Belastinghervormingen moeten ondernemen aantrekkelijker maken dan een loopbaan in vaste dienst. Ondernemers creëren immers werkgelegenheid, dragen bij aan innovatie, zijn efficiënter en productiever dan werknemers, en ondernemers blijken zelfs gelukkiger dan werknemers.' Dat stelt Miriam van Praag, hoogleraar ondernemerschap en organisatie organisatie aan de UvA en directeur van het Amsterdam Center for Entrepreneurship.

Jonge, kleine bedrijven vaak snelle groeiers

Zij poneerde haar stelling op 15 december in de serie SPUI25, een reeks uitdagende voordrachten waarin prominente wetenschappers van de UvA zich uitspreken over zowel de grondslagen als de grenzen van hun vakgebied.
Van Praag betoogde dat Nederland een groot probleem heeft, omdat er relatief weinig snelgroeiende ondernemingen zijn. Dit terwijl juist topondernemers met hun snelgroeiende bedrijven van essentieel belang zijn voor groei en innovatie in ons land. Onderzoek van Van Praag wijst uit dat snelle groeiers vaak jonge, kleine bedrijven zijn, actief in de dienstensector, en gestart door een team. De hoogte van opleiding en intelligentie, bèta-achtergrond, brede oriëntatie, en ervaring met ondernemen enerzijds, of in de betreffende bedrijfstak anderzijds, blijken van grote invloed.
Volgens Van Praag moeten potentiële topondernemers dus meer worden gestimuleerd met belastingvoordeel of ander fiscaal beleid. Volgens haar is aanpassing van het belastingstelsel nodig. Maar niet richting een vlaktaks (een gelijk belastingtarief voor iedereen), waarschuwt ze.

Survival of the fittest

Interessant is in dit kader de jongste publicatie van het Amsterdam Center for Entrepreneurship Hoe beïnvloedt ondernemerschap economische groei? In deze 20 pagina's tellende ACE-Update trekt auteur André van Stel de volgende conclusie: ‘Nieuwe bedrijven hebben een direct effect op economische groei door de ontwikkelingen in de bedrijven zelf en een indirect effect doordat bestaande bedrijven zich moeten aanpassen aan de verhoogde concurrentie die de nieuwkomers veroorzaken. Dit aanpassingsscenario is vergelijkbaar met een ‘survival of the fittest'-scenario waarbij de betere bedrijven hun prestaties zullen verbeteren en de zwakkere bedrijven moeten stoppen of inkrimpen. Hierdoor wordt de diversiteit en de gemiddelde kwaliteit van de bedrijvenpopulatie in een markt steeds hoger, wat uiteindelijk leidt tot economische groei.'
Een conclusie die nog eens wordt versterkt door de gevolgtrekkingen die auteur Van Stel vier pagina's verderop stelt: ‘De effecten van ondernemerschap op economische groei zijn pas merkbaar op de langere termijn, typisch na 5 tot 10 jaar. De indirecte effecten zijn sterker dan de directe effecten. Nieuwe bedrijven dragen vooral bij aan economische groei doordat ze bestaande bedrijven opjagen tot betere prestaties.'

Bron: Federatie Zakenvrouwen